Het einde van alle dingen

De titel van deze verhandeling is afgeleid van een verklaring van de apostel Petrus in een brief die hij schreef met de hulp van een collega genaamd Silvanus (1 Petrus 5:12) en gericht aan de 12 stammen in de verstrooiing. Dit tekstgedeelte komt uit 1 Petrus 4 waar het volgende staat,

“Het einde aller dingen is nabij gekomen.” (1 Petrus 4:7)

Wat zegt Petrus in dit vers? Aan wie schreef Peter deze brief en in welk tijdsbestek werd deze geschreven? Een ding is zeker, er wordt hier een verwachting uitgesproken van iets dat binnenkort staat te gebeuren.

Wij geloven dat Petrus hier schrijft als iemand ‘die door de Heilige Geest werd gedreven’ (2 Petrus 1: 21). Hij was niet alleen een ooggetuige (in dit geval ook een hoor-getuige) van de apocalyptische voorspelling van Jezus (rede over de laatste dingen – Marcus 13), maar hij stond ook onder de leiding van de Heilige Geest, ‘terwijl de Here meewerkte’ (Marcus 16:20). De Heilige Geest, ook bekend als ‘de Helper’, werd de apostelen gegeven omdat die hun ‘alles zou leren en hun zou helpen herinneren alles wat Jezus had gesproken’ (Joh 14:26). De Geest van de waarheid werd gegeven om, in afwezigheid van Jezus, de toekomst te onthullen (Joh 16:13). Dit is precies wat Petrus doet – hij schrijft in een context van de eerste eeuw waarin hij verkondigt dat ‘het einde van alle dingen nabij gekomen is’. In de rede over de laatste dingen had Jezus tenslotte gezegd:

“Deze generatie zal niet voorbijgaan voordat al deze dingen plaatsvinden.” (Mat 24:34)

De “generatie” van Matt 24:34 is dezelfde als de “generatie” van Matt 23:36 – beide verwijzen naar degenen die in de eerste eeuw leefden. Petrus wist dit als geen ander, omdat hij zich de woorden van Jezus herinnerde, die Hij (Jezus) ongeveer een week voorafgaand aan Zijn gedaanteverwisseling had gesproken,

 “… er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, ​​die de dood voorzeker niet zullen smaken voordat zij de Zoon de mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk.” (Matt 16:28; Marcus 9:1)

De vervulling zou dus allemaal plaats vinden nog in de eerste eeuw na Christus. Geholpen door de Heilige Geest, herinnerde Petrus zijn toehoorders (en lezers) aan de woorden gesproken door Jezus,

“… zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met macht en heerlijkheid” (Matt 24:30).

Er is een sterk verband te zien tussen Petrus’ aansporing in 1 Petrus 4:7 en de woorden van Jezus in Matt 24. De waarschuwing van Petrus is niet anders dan een samenvatting van die van Jezus.
Wat zijn oorspronkelijke lezerspubliek betreft, onthult 1 Petrus 1 zijn doelgroep als,

“…de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn, in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asië en Bitynië, de uitverkorenen naar de voorkennis van God…” (1 Petrus 1:1-2)

De doelgroep van zowel Jezus’ bediening als die van de Apostelen waren de heidenen; de ‘verloren schapen’ van het huis van Israël, die waren verstrooid onder de volken. Zij waren de diaspora wat letterlijk betekent “verstrooiing” en staat voor het verstrooid of verspreid wonen van een volk, in dit geval de 12 stammen, over verschillende landen.

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Matt 10:5-6)

“Een opgejaagd schaap is(heel) Israël, dat leeuwen hebben opgedreven; eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden en nu ten laatste heeft Nebukadnessar, de koning van Babel, het de beenderen afgeknaagd.” (Jer 50:17)

We kunnen nog vele andere teksten aanhalen die bevestigen dat de 12 stammen van Israël (er is maar één volk die ‘schapen’ werden genoemd) waren verstrooid (zie artikel over de Diaspora).

Petrus schreef aan dezelfde kerken als Johannes in Openbaring. Hij schreef over dezelfde kwestie: de vervolging van de gemeente. Merk op dat in Openbaring 3:9 Jezus de gemeente van Philadelphia,  die vervolgd werd door de religieuze Joden, vertelde dat hij hen zou sparen voor de ‘ure der verzoeking’ (beproeving, door de grote verdrukking) die over de hele (toenmalige) wereld zou komen. In 1 Petrus 4 zei de apostel,

“Laat de vuurgloed , die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemd overkomt” (1 Petrus 4:12).

Wat Jezus voorspelde in Openbaring zien we terug in 1 Petrus. Dit bevestigt het argument voor de vroege datering van Openbaring maar ook dat het Jeruzalem van de Joden (de synagoge van de satans) in het conflict degene was die de christenen vervolgende.
1 Petrus werd geschreven terwijl Petrus in Jeruzalem was in een tijd dat Jeruzalem werd beschouwd als “Babylon” (1 Petr. 5:13). zoals we ook zien in het boek Openbaring. Daarom kunnen we hier de datering van het eerste boek van Petrus eind 63 NC plaatsen, nadat Johannes het boek Openbaring had geschreven (waarschijnlijk eind 62 NC) en voordat de vervolging door Nero uitbrak (eind 64 NC). Marcus was bij Petrus in Jeruzalem. Marcus was in de jaren 62-63 met Paulus in Rome geweest, maar nu is hij terug in Jeruzalem. Hij was de koerier voor zowel Paulus als Petrus voor alle kerken. Marcus bracht waarschijnlijk een exemplaar van het boek Hebreeën naar Peter. Dit verklaart hoe Petrus zich bewust was van “alle brieven van Paulus” inclusief het boek Hebreeën (2 Petr. 3:16) en Openbaring.

Net als Jacobus schreef Petrus deze brief aan de 12 stammen in de verstrooiing, de christenen in de Diaspora (Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië, Bithynië, en misschien ook Macedonië en Achaia). Het waren de ‘uitverkorenen naar de voorkennis van God’ en er is maar één volk uitverkoren en dat was het volk Israël. Het waren de overblijfselen van de tien noordelijke stammen die Salmaneser (de koning van Assyrië – 2 Kon 18) had weggevoerd eeuwen voor de val van Jeruzalem, samen met een gedeelte van de twee stammen die waren achtergebleven; het was dezelfde ‘Griekse verstrooiing’ genoemd in Johannes 7:35. Het zijn dus de Israëlieten (van de beide huizen van Israël), door de Joden onbesneden heidenen genoemd die verspreid waren onder de heidenvolken in de eerste eeuw na Christus vlak voor de verwoesting van Jeruzalem 70 NC.

Terug naar het tekstgedeelte. We constateren dat er een zekere dreiging vanuit gaat, ‘het einde van alle dingen is nabij gekomen’. Het impliceert dat er iets in de nabije toekomst zal gaan plaatsvinden. Een tekst een eindje verderop helpt ons om tot dezelfde conclusie te komen,

“Want het is nu de tijd dat het oordeel begint bij het huis Gods; en als het bij ons begint, wat zal dan het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?” (1 Petrus 4:17)

Het” huis Gods “gaat over het oude verbondshuis van God, vertegenwoordigt door Jeruzalem en de tempel met al zijn verdorven religieuze activiteiten. De woorden ‘nabij’ en ‘nu’ geven een duidelijk  signaal af, er staat iets op het punt te gebeuren. Deze beide uitdrukkingen laten geen ruimte voor uitstel. Het zou geen 2000 jaar duren voor dat het oordeel zou worden uitgevoerd.
Helaas zijn er weinig christenen die dit tekstgedeelte toepassen op de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 NC. En toch is het zo.

Het toepassen van dit tekstgedeelte op 70 NC mag echter niet worden gebruikt om de woorden van Petrus te verzachten. Hij zei niet: ‘het einde van sommige dingen is nabij’. Hij zei ook niet dat er ‘een einde’ nabij was. Petrus vertelde over “HET EINDE VAN ALLE DINGEN” in de context van de openbaring (de wederkomst) van Jezus Christus (1:7) die hen redding (1:5,9), en genade (1:13), en een krans der heerlijkheid zou brengen (5: 4) na de uitvoering van het oordeel (4:5,17). Al deze dingen waren gereed (1:5; 4:5) en nabij (4:7) in het einde der tijden (1:20) van het oude verbond. Na een korte tijd (1:6; 5:10) van lijden zouden ze worden volmaakt, verhoogd, bevestigd, versterkt en gegrondvest (5:6,10). Inderdaad, Petrus kondigde geen kleine gebeurtenis aan – hij zei: “HET EINDE VAN ALLE DINGEN is nabij gekomen”. De formulering in dit tekstgedeelte heeft sommige theologen ertoe gebracht te vermoeden dat sinds het ‘einde van alle dingen’ duidelijk niet heeft plaatsgevonden, Petrus zich wel vergist moest hebben. Maar als Petrus zich vergist zou hebben, hoe kunnen we dan weten dat andere schrijvers van het Nieuwe Testament niet op dezelfde manier leugens spraken?

Toen Petrus sprak over ‘alle dingen’ sprak hij over alle dingen m.b.t. de vervulling van alle Bijbelse profetieën. Ook andere tekstgedeelten gaan over daarover en spreken dezelfde verwachting uit van iets dat in de zeer nabije toekomst staat te gebeuren. Jezus beloofde in de ‘rede over de laatste dingen’ het volgende,

“Voorwaar, ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voor dat dit alles geschied is” (Matt 24:34).

Hier zijn twee woorden, “dit geslacht”, die verscheidene keren worden gebruikt in het Nieuwe Testament. Elke keer als deze twee woorden samen worden gebruikt, dan gaat het over de generatie van mensen in de eerste eeuw. Kijk maar eens naar de volgende voorbeelden,

”Doch waarmede zal ik DIT GESLACHT vergelijken?” (Matt 11:16)

 “De mannen van Ninevé zullen in het oordeel opstaan met DIT GESLACHT” ( Matt 12:42)

“zo zal het ook gaan met DIT BOZE GESLACHT” (Matt 12:45)

“Al deze dingen zullen komen over DIT GESLACHT”(Matt 23:36)

DIT GESLACHT zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt”( Matt 24:34)

 “waartoe begeert DIT GESLACHT een teken?”( Marcus 8:12)

“in DIT overspelig en zondig GESLACHT”(Marcus 12:38)

“opdat van DIT GESLACHT afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is sinds de grondlegging der wereld” (Lucas 11:50)

 “van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharias…..het zal afgeëist worden van DIT GESLACHT” (Lucas 11:51)

“Maar eerst moet Hij veel lijden en verworpen worden door DIT GESLACHT” (Lucas 17:25)

“Laat u behouden uit DIT verkeerde GESLACHT” (Hand 2:40)

En zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Lucas schreef ook de woorden op die door Jezus waren gesproken met het oog op de naderende verwoesting van Jeruzalem,

“Zodra gij nu Jeruzalem door de (Romeinse) legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij is….want dit zijn de dagen van vergelding (oordeel), waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat.” (Lucas 21:20-22)

Op dat moment zou dus alles wat geschreven is ofwel alle profetieën vervuld zijn. Zoals ook door de schrijver van de Hebreeën brief voorspeld dat er alleen nog maar door de Zoon zou worden gesproken, de erfgenaam van ‘alle dingen’ en niet meer door de wet en de profeten (Hebr 1:1-2). En dan lezen we verder in Lucas 21,

“Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw ogen omhoog, want uw verlossing genaakt.” (Lucas 21:28)

De verlossing waarvan? Het is de verlossing, de bevrijding, het losmaken van het oude verdorven Joodse religieuze bolwerk, de definitieve overgang van het oude verbond naar het nieuwe verbond. En in vers 32 van hetzelfde hoofdstuk bevestigt Lucas nog eens dat dit geslacht (met een gemiddelde levensduur van 40 jaar) niet voorbij zou gaan voor dat ‘deze dingen’ zouden plaats vinden.

De openbaring van Johannes over Jezus Christus is een ander nieuwtestamentisch boek dat bevestigt dat het einde niet meer ver weg kon zijn. Jezus zei 2000 jaar geleden dat Hij spoedig zou terugkomen zowel in het begin van Openbaring als aan het eind, in dezelfde bewoordingen,

“Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden.” (Openb1:1)

“Want de tijd is nabij.” (Openb 1:3)

“Ik kom spoedig.” (Openb 3:11)

“Om zijn knechten te tonen hetgeen weldra geschieden moet.” (Openb 22:6)

“En zie, ik kom spoedig.” (Openb 22:7)

“En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij.”(Openb 22:10)

“Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naar dat zijn werk is.” (Openb 22:12).

“Ja, Ik kom spoedig.” (Openb 22:20).

De hele toon van de Openbaring is er één van waarschuwing en urgentie voor wat binnenkort stond te gebeuren, 2000 jaar geleden dus. In Openbaring 22 worden beide formuleringen van Openbaring 1 herhaald, plus driemaal “Ik kom spoedig”. Blijkbaar slaat die nabijheid dus op het geheel van Openbaring. Daaruit kunnen we rustig vaststellen dat het toen (in de tijd van de zeven gemeenten) de nabije toekomst was… Het thema van de profetie van het boek Openbaring kan worden samengevat in het tekstgedeelte,

“Zie, ik maak alle dingen nieuw….het is volbracht.” (Openb 21:5)

De Openbaring van Johannes is een boek dat vertelt hoe het mysterie van God is voltooid en dat al Zijn woorden zijn vervuld.

Verder komt het tekstgedeelte van Petrus in Handelingen 3 perfect overeen met het ‘einde van alle dingen’ in 1 Petrus 4:7,

“Hem (Jezus) moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting alle dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher”. (Hand 3:21)

Dit zijn dezelfde uitdrukkingen. In beide gevallen gaat het over hetzelfde en zien we dat Petrus niet spreekt over het einde van iets dat nog in de toekomst zou moeten plaats vinden. Integendeel, hij spreekt over HET EINDE VAN ALLE DINGEN… waarvan Petrus duidelijk vaststelt dat het einde daarvan nabij was, dichtbij dus, in het jaar 70 NC.

‘Het einde van alle dingen’ gaat over de vervulling van alle Bijbelse profetieën m.b.t. de definitieve verwijdering van het oude verbond en de oprichting en instituering van het nieuwe verbond dat eeuwig is…