Johannes 14:3

In Johannes 14:3 zei Jezus:

“…en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom ik weder en zal u tot mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar ik ben.”

Veel christenen denken dat dit vers betrekking heeft op de “opname”, waar Jezus ons voor de grote verdrukking zal ophalen. Ook wordt deze tekst veel gebruikt op begrafenissen waar we bij het sterven een hemelse woning gaan betrekken die Jezus voor ons klaar gemaakt zou hebben. In ieder geval betreft het een gebeurtenis die nog in de toekomst moet plaats vinden. Het lijkt erop dat dit nog een onvervulde profetie is. Maar waarom zou Jezus Zijn discipelen vertellen dat Hij weer terug komt om hun op te halen, terwijl Hij wist dat de zogenaamde opname niet tijdens hun leven zou plaats vinden maar pas in de 21ste eeuw?
Wat bedoelde Jezus met dit vers eigenlijk te zeggen?

Het is van belang dat we dit vers in de context lezen. Verder moeten we in ogenschouw nemen dat de bijbel een Joods boek is, geschreven aan de Joden, die in hun tijd leefden, in hun taal, vol metafoor en allegorie.
De hoofdstukken 14 tot 17 van Johannes gaan over de Trooster (Heilige Geest) die tot de discipelen zou komen.
Het woordje tot zal verscheidene keren terug komen en speelt een belangrijke rol in het begrijpen van de volgende teksten….
Hoofdstuk 14 begint met dat de discipelen ongerust en bedroeft werden (ontroert), Jezus zou weggaan en ze konden Hem niet volgen, ze gingen een onzekere toekomst tegemoet.
Maar Jezus stelt ze gerust: Ik ga heen om u (de discipelen) plaats te bereiden en wanneer Ik dat gedaan heb, kom Ik weer terug en zal u (de discipelen) tot Mij nemen….
Het volgende vers verklaart dat de discipelen niet wisten waar Jezus heen ging en ook wisten ze de weg er naar toe niet.
Toen sprak Jezus de bekende woorden: Ik ben de weg en de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij
In vers 7 voegde Jezus daar nog aan toe: Indien je Mij kende, zou je ook de Vader gekend hebben…. de discipelen “kenden” Jezus nog niet echt omdat ze de Heilige Geest nog niet hadden ontvangen.
Want als ze Jezus zouden kennen, zouden ze ook de Vader kennen…. Jezus bevestigde dat in vers 11: Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is.
Jezus had zich zelf nog niet aan de discipelen geopenbaard, dat zou pas een tijdje later plaats vinden:
Vers 16 en 17: Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der Waarheid……..
…. de wereld kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.
Vers 18: Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.
Vers 19: Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven.
Vers 20: Te dien dage zult gij weten, dat Ik in de Vader ben en gij in Mij en Ik in u.
Vervolgens staat dan in vers 21: en wie Mij lief heeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
Hier staat het dan: bij het ontvangen van de Trooster zou Jezus zichzelf aan de discipelen openbaren en pas dan zouden ze Hem “kennen”….
Vers 23: …Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.
En hier staat dan het woord “wonen”: Wij, Jezus en God zullen in hem woning gaan maken, door het ontvangen van de Trooster, de Heilige Geest.
Dat is ook wat bedoeld wordt met de zinsnede “tot Mij nemen” of “tot u komen”: Jezus die in de discipelen woning gaat maken, door het ontvangen van de heilige geest.
Dan zouden ze echt het echte “leven” ontvangen, Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed (Joh 10:10), het “in Christus” zijn zoals Paulus dat uitdrukte.
Dit wordt nog een keer bevestigd in vers 28: Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd hebt, Ik ga heen en kom tot u…. en daarbij verwijst Jezus naar vers 3.

Dit verhaal gaat over Jezus die de discipelen op de hoogte bracht van de Trooster, de Heilige Geest, die in hun harten woning zou gaan maken bij de uitstorting van de Heilige Geest in Handelingen 2.
En het geldt ook voor ons vandaag, wanneer wij Jezus aannemen als onze redder, zal Jezus woning maken in ons hart en zal de Heilige Geest/Jezus in ons komen wonen en zijn wij verzekerd van een eeuwig “leven”, nu hier op aarde (Ik ben gekomen om je leven te geven in overvloed, Joh 10:10) en later in de hemel.
Het is dus niet zo dat we bij ons sterven deze woning pas in bezit gaan nemen, nee, het is de heilige geest die woning in ons maakt wanneer we Jezus aannemen en we worden “ingeschreven” in het boek des levens. Verder heeft het niets te maken met een zogenaamde “opname”.
Dus geen toekomstig gebeuren, maar Jezus, die nu al in ons woont, tenminste als we ons hart ervoor open stellen.
En dit komt weer prachtig overeen met Openbaring 21:3, “Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volken zijn, en God zal zelf bij hen wonen.