Jezus onze Hogepriester

Het is fascinerend te zien hoe de lay-out van de Hebreeuwse tempel en andere dingen die er mee te maken hadden, een typebeeld waren van de hemelse tempel.

Volgens de Hebreeuwse geschriften, was Israëls “dag van verzoening” een belangrijke dag die begon 6 maanden na de viering van het Pascha (Leviticus 23:26-32; Numeri 29:7-11). Op de “dag van verzoening” ging de Hogepriester elk jaar in de meest heilige plaats (het Heilige der Heiligen) om het offerbloed op het verzoendeksel te sprenkelen, om vervolgens weer naar buiten te komen om terug te keren voor het aangezicht van het volk Israel. (zie Leviticus 16; Hebreeën 9).

Anders dan de overige feesten, was de “dag van verzoening” geen feestelijke gebeurtenis. Het was de dag van berouw en bekering. Een ieder die deze dag niet bijwoonde zou “van het Hebreeuwse volk worden afgesneden” (Leviticus 23:29), een eufemisme voor “ter dood gebracht worden”.

De “dag van verzoening” was ook een dag dat de mensen “zichzelf verloochenden” door o.a. te vasten (Leviticus 16:31; 23:27; Numeri 29:7). Dit was de enigste Hebreeuwse heilige dag die gepaard ging met weeklagen, vasten en bekering.

De eerste keer dat het genoemd wordt in de bijbel is in Exodus 30, maar Leviticus 16 beschrijft deze dag van offeren tot in de detail. De Bijbelse instructies waren eerst rechtstreeks bedoeld voor Aaron (de Hogepriester) zelf en het priesterschap, maar ook het volk Israel zelf speelde er een grote rol in (Leviticus 16:26-31). Geen enkel ander offer in Leviticus was een betere voorafschaduw dan de verzoening van Israel door de Messias (die veel later zou komen, in de “volheid des tijds”, Gelaten 4:4-5). Geen ander Bijbels offer omschrijft een beter decor, om de enorme superioriteit van de verzoening van de Messias Jezus boven die van de Hebreeuwse hogepriester aan te geven.

De“dag van verzoening” begon als elk andere dag voor de Hebreeuwse priesters – door het slachten van het ochtend offer – een brandoffer van een 1-jarig lam (Exodus 29:38-42; Numeri 28:3-6). Daarna zou de Hogepriester beginnen met de speciale ceremonies voor de “dag van verzoening”.

Interessant is dat de Hogepriester zijn normale priesterlijk kleding af moest doen, een bad moest nemen, om daarna een speciaal “dag van verzoening” kledingstuk aan te doen, zoals voorgeschreven voor speciale offers die de Hogepriester in het Heilige de Heiligen zou brengen (Leviticus 16:4; Exodus 28:39 ev).

Het gewaad dat de Hogepriester zou dragen op de “dag van verzoening” was geheel verschillend van wat hij normaal dagelijks droeg: prachtige gekleurde materialen, ingewikkeld borduurwerk, goud en juwelen, dat allemaal maakte dat hij op een koning leek. Echter, op de “dag van verzoening” was hij gekleed zoals een slaaf. Hij droeg vier eenvoudige kleden van wit linnen, eenvoudiger dan het gewaad van de gewone priester (Exodus 39:27-29)….Maar op de “dag van verzoening”, kwam de Hogepriester in “een andere wereld”; hij kwam in de aanwezigheid van God en moest zich kleden voor die gelegenheid, want in de aanwezigheid van God wordt zelfs de Hogepriester gestript van elke eer: hij werd eenvoudig de dienstknecht van de koning der koningen, wiens echte positie wordt gezien in de eenvoud van zijn kleding. Openbaring 19:8 laat de heiligen in de hemel zien die dezelfde soort kleren dragen.

In de gang van zijn dagelijkse offers vertegenwoordigde de Hogepriester God, en daarom straalde zijn kleding schoonheid en pracht uit. Maar wanneer de Hogepriester het Heilige der Heilige binnenging om een verzoeningsritueel te doen voor de “dag van verzoening”, kwam hij in alle nederigheid in Gods aanwezigheid.

In deze verwisseling van de Hogepriesterlijke kleding kunnen we de verbinding leggen naar de voorbereiding van Jezus voor de grote en laatste “dag van verzoening”. Jezus veranderde van kleding toen Hij de hemel verliet en “zijn normale priesterlijke kleding afdeed” (trok zijn dienstkleed aan, Mattheüs 20-28). Hij nam een ritueel bad (toen Hij werd gedoopt) en later gaf Hij zichzelf als offer voor de zonden van de wereld. Na zijn opstanding – kwam Jezus in de meest heilig plaats (hemel) en trok Hij zijn “normale Hogepriesterlijke gewaad weer aan” (zie Johannes 17:5).

Misschien ook een verwijzing naar Jezus de Messias, die zijn gewaad uittrok en gekleed als een eerste eeuw slaaf de voeten van Zijn discipelen waste. Hier zien we duidelijk dat de Zoon van God zijn heerlijkheid aflegde zodat het werk van de verzoening voltooid zou kunnen worden (2 Korintiërs 8:9; Filippenzen 2:5-8).

Nadat de Hogepriester had gebaad en zijn kleding had verwisseld in slavenkleding – nam hij de dieren als slachtoffers voor de “dag van verzoening” – één stier voor zijn eigen zonde offer en twee mannelijke bokken voor de zonde van het volk; twee rammen, één voor de hogepriester en de andere voor het brandoffer van het volk (vers 3, 5).

Dit alles wordt samengevat in het offer van Jezus aan het kruis. Jezus de Messias legde Zijn leven op het altaar van het kruis, “Ik ben de goede herder; en Ik ken mijn schapen, en Mijn eigen schapen kennen mij, net zoals de Vader mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg mijn leven af voor de schapen” (Johannes 10:14-15).

Let nu goed op….

Voordat de Hogepriester het Heilige der Heiligen binnenging met het bloed van het offer, moest hij een wolk van wierook creëren binnen in het Heilige der Heiligen, die het offerdeksel bedekte en zo een afscherming te vormde voor de heerlijkheid van God (waarna de Hogepriester de meest heilige plaats kon binnengaan) (Leviticus 16:12-13).

Kijk eens naar de verbazende parallellen in het leven van Jezus de Messias….

Voordat Jezus de hemel binnenging (het Heilige der Heiligen) met het offer van zijn eigen vergoten bloed, voer Jezus naar de hemel “in een wolk” om in Gods aanwezigheid te verschijnen (Daniël 7:13-14; Handelingen 1:9-11). Dit komen in een wolk in Gods aanwezigheid was een offer van Hemzelf van “het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt” – en was ook  de vervulling van die “speciale geur” die een masker van rook creëerde die ook de aardse Hogepriester de mogelijkheid gaf om in de aanwezigheid van God te komen.

Vervolgens nam de Hogepriester het bloed van dat speciale zondeoffer en sprenkelde het zeven keer (Gods nummer van compleetheid) op het offerdeksel (plaats van vergeving) (Leviticus 16: 14).

Dit is hoe de schrijver van de Hebreeën het binnengaan van Jezus in het Heilige de Heiligen op schrift heeft gesteld….

 “Want Christus (onze Hogepriester) is niet binnengegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt (de Hemel dus) is en dat een tegenbeeld is van het ware (beeld, de aardse tempel in Jeruzalem), maar in de hemel zelf, om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons (als onze Hogepriester), en dat niet om Zichzelf dikwijls te offeren, zoals de Hogepriester elk jaar in het heiligdom binnengaat met bloed dat niet van hemzelf is (maar dat van een dier). Want dan had Hij (Jezus de Messias) vanaf de grondlegging van de wereld (het oude verbondssysteem) dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij bij de voleinding van de eeuwen (oude verbondseeuwen)  eenmaal geopenbaard om de zonde teniet te doen (Daniël 9:24) door het offer van Zichzelf (Daniël 9:26)” (Hebreeën 9:24-26).

En opnieuw…

“Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben  om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus (de definitieve verzoening), langs een nieuwe en levende weg (niet door dode dieren, maar een altijd levende Messias), die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees (fysieke offer aan het kruis), en omdat wij een grote Priester hebben over het (ware levende) huis van God, laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof (in onze Hogepriester Jezus), nu ons hart gereinigd (door besprenkeling gezuiverd) is van een slecht geweten (schuld) en ons lichaam gewassen is met rein water (omdat wij christenen nu Zijn gezuiverd priesterschap zijn)”. (Hebreeën 10:19-22)

Hier de woorden van Petrus over ditzelfde onderwerp….

 “Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen in de verstrooiing in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithynië, uitverkoren overeenkomstig de voorkennis van God de Vader, door de heiliging van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van Jezus Christus (onze Hogepriester): moge genade en vrede voor u vermeerderd worden”. (1 Petrus 1:1-2)

Eerder wierpen de priesters het lot over de twee offergeitenbokken, om vast te stellen welke van de twee zou worden geslacht en welke in de woestijn gestuurd – buiten het heilige land (Leviticus 16:7,8). De geitenbok voor de slacht (de geitenbok van het zondeoffer voor het volk) was geofferd, en zijn bloed meegenomen in het Heilige der Heiligen en over het offerdeksel gegoten, net zoals het bloed van de stier daarvoor (Leviticus 16:15). Daarna werd de gehele heilige plaats schoongemaakt door die plaats te besprenkelen met het bloed van zowel de stier als ook die van de geitenbok (vers 16). De “dag van verzoening” was door God ingesteld om Zijn Heiligdom en elk heilig ding wat er mee verbonden was te reinigen van de onreinheden en overtredingen van het volk Israel (Leviticus 16:16).

Het grootste onderdeel van de “dag van verzoening” was, of dat God al of niet bij zijn volk Israel wou blijven wonen (Ezechiël 10:18; Mattheüs 23:38; 27:52; Openbaring 21:3). De overtredingen van de natie Israel verontreinigde niet alleen hun zelf, maar ook de tabernakel/tempel van God en daarom gebruikte God de “dag van verzoening” om al deze zonden te verwijderen (symbolisch gesproken).

Het meest beangstigend voor de natie Israel was de afwezigheid van Gods aanwezigheid onder hun. Je herinnert je dat Mozes smeekte dat God het volk Israel niet zou verlaten nadat zij God verlaten hadden door het gouden kalf te aanbidden (Exodus 33:34). God beantwoordde het gebed van Mozes en beloofde onder de Israëlieten te blijven wonen – en de dagelijkse en speciale offeranden waren de middelen waardoor Hij belofte gestand deed.

In dit alles zien we duidelijk de link naar Jezus de Messias – het offer van de ware en laatste Hogepriester Jezus was niet alleen geofferd voor de individuele zonden van het volk Israel (Romeinen 2:28-29; Romeinen 9-11), maar ook voor heel de natie Israel – dus iedereen die zijn vertrouwen stelde in Zijn verzoenend werk. Elke Israëliet die Jezus aangenomen had, zou deel zijn van het “overblijfsel” (Romeinen 2:28-29; 9:6; 11:5; Galaten 6:15-16) – en die samen met de heidenen, die geloofden en daardoor geënt zijn in Gods olijfboom, het ware Israel vormen (Romeinen 10-11).

Het offerbloed van Jezus waste ook de tempel van God schoon, en uit dit verzoenend offer werd een voor altijd gezuiverde nieuwe verbondsstad, tempel en priesterschap gevormd (Hebreeën 12:22; Efeziërs 2; 1 Petrus 2:5).

Vervolgens, moest buiten de tent, (in de aanwezigheid van het volk Israel) de Hogepriester verzoening maken voor het brandofferaltaar waarbij het bloed van zowel de stier als ook de geitenbok werd gebruikt. (Leviticus 16:18-19).

Op de “dag van verzoening”, zou het volk van Israel buiten de tent angstig afwachten of de Hogepriester naar hun zou terug keren of niet. Als het offer dat de Hogepriester had geofferd niet voor God acceptabel was – zou God de Hogepriester doden! Dus….als de Hogepriester niet terug zou keren naar het volk Israel – hadden ze geen zekerheid van redding. Geen verschijning – geen vergeving (verzoening).

Kijk hoe de schrijver van het boek Hebreeën het uitlegt….

“Deze hoop (van de terugkeer van de Hogepriester) hebben wij (Israëlieten) als een anker voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom (Gods plaats van directe aanwezigheid), achter het voorhangsel. Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan (Johannes 14:1-3), namelijk Jezus, Die naar de ordening van Melchizedek (de priesterlijke voorbode) Hogepriester geworden is tot in eeuwigheid.” (Hebreeën 6:19-20)

Het is duidelijk uit deze verzen, dat Jezus de laatste en permanente Hogepriester het heiligdom binnenging en in Gods aanwezigheid kwam, achter het voorhangsel (in de Hemel dus)…….en de christenen van de eerste eeuw generatie (Mattheüs 24:34) wachten angstvallig op Zijn tweede komst, want vergeving van zonden was alleen verzekerd wanneer de Hogepriester vanuit de aanwezigheid van God, achter het voorhangsel (de hemel) kwam.

Jezus zelf en de apostelen verzekerde hun generatie dat Hij (hun Hogepriester) wel degelijk naar hun terug zou komen voordat die generatie zou voorbijgaan (Mattheus 16:27-28; 1 Thessalonicenzen 4:13-17). Dit feit wordt benadrukt door heel het nieuwe testament – bij wijze van spreken op bijna elke bladzijde! In bijna elk nieuw testament boek lezen we dat zij “vol verwachting” uitzagen naar volbrachte werk van verzoening (1 Korintiërs 1:7; Filippenzen 3:20; Hebreeën 9:28 etc.).

De apostel Petrus zei het als volgt…….

 “Geprezen zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (als Gods ware kinderen zijn we bewaard), tot een onvergankelijke, onbevlekte (anders dan het Mozaïsche systeem) en onverwelkbare erfenis (niet zoals bestaande oude verbondscontract), die in de hemelen bewaard wordt voor u (het ware Israel). U wordt immers door de kracht van God bewaakt door het geloof tot de zaligheid, die gereedligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd. Daarin verheugt u zich, ook al wordt u (Christenen) nu voor een korte tijd – als het nodig is – bedroefd door allerlei verzoekingen, opdat de beproeving van uw geloof  – die van groter waarde is dan die van goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt – mag blijken te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, bij de openbaring van Jezus Christus.” (1 Petrus 1:3-7)

Als Christus niet kort na zijn verzoenend bloedoffer was teruggekomen (Openbaring 22:20), dan kan niemand vandaag echt zeggen dat ze gered zijn van de zonde. Als Christus, onze eeuwige Hogepriester er nog steeds niet “uitgekomen” is, achter het voorhangsel vandaan, vanuit de aanwezigheid van God in de hemel, dan blijft het definitieve werk van de priester voor de verzoening van de zonden, een nog niet afgemaakt werk.

Daarom kan het evangelie niet het juiste evangelie zijn als de tweede komst van de Messias Hogepriester vanuit de hemel daar niet is inbegrepen. Het is de leer van een “vervulde eschatologie” dat onze Hogepriester Jezus in feite is teruggekeerd, juist zoals Hij beloofd had te doen en juist zoals was verwacht door Zijn eerste eeuw volgelingen.

Dus…., wanneer kwam onze Hogepriester uit het Heilige de Heiligen om zich zelf te laten zien aan de mensen? In het jaar 70 na Christus, bij de val van Jeruzalem, in de eerste eeuw generatie – toen hij een einde maakte aan het overspelige Judaïsme – precies zoals Hij beloofd had te doen (Mattheüs 21:40-46; Mattheüs 24; Marcus 13, Lucas 17, 21 etc.).

Vervolgens werd op de kop van de levende tweede geitenbok symbolisch de zonden van het volk gelegd, en daarna weggestuurd vanaf het kamp de woestijn in, vanwaar het nooit meer terug moest komen (Leviticus 16:20-22).

Jezus was uit de overspelige stad Jeruzalem gedreven om te worden gekruisigd op Golgotha (de plaats van de dood). Na Zijn opstanding en hemelvaart vormde de Messias Jezus een Nieuw Jeruzalem (het christendom) en Hij zal nooit meer terugkeren om te gaan wonen in de oude stad Jeruzalem (het dode Judaïsme)!

Daarna ging de Hogepriester de tent van bijeenkomst binnen, verwijderde zijn linnen kledingstuk, waste zich, en trok zijn normale priesterlijke kledingstukken aan.

Aan het eind van Zijn verzoenend offer, nam Jezus zijn eerdere heerlijkheid weer op (Johannes 17:5) en zat aan de rechterhand van Zijn Vader om zijn rol als eeuwige Koning en Hogepriester weer op te nemen over zijn uitverkoren volk.

De Bijbelse herhalende “dag van verzoening” voor Israel was een vooruitzicht op een veel groter en permanente Messiaanse reiniging van Gods volk en woonplaats. Dit definitieve werk in de laatste dagen van het Bijbelse Judaïsme was volbracht door een superieure Hogepriester, die een superieure offer bracht.

Het nieuwe testament boek Hebreeën laat de superioriteit van de dood van Jezus de Messias zien in contrast met de oude testament offeranden. De Hebreeuwse Hogepriester was alleen maar menselijk en daarom een zondaar (Exodus 32). Jezus de Messias was en is zonder zonde – en hoefde daarom vervolgens niet voor zichzelf te offeren…

 “Want zo’n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven. Hij heeft het niet nodig, zoals de Hogepriesters, elke dag eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers te brengen en pas daarna voor die van het volk. Want dat heeft Hij voor eens en altijd gedaan, toen Hij Zichzelf offerde. Want de wet stelt mensen, die met zwakheid behept zijn, aan als Hogepriester. Maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is.” (Hebreeën 7:26-28)

Ook stierf elke Hebreeuwse Hogepriester – maar Christus leeft voor eeuwig (Hebreeën 7:15-25) en dus is Jezus de Messias veruit superieur aan de Hogepriesters van Israel.

De omvang van de bediening van Jezus is ook superieur aan de plaats van de aardse Hogepriesters die gelimiteerd waren aan één geografische locatie op de planeet, hij bediende in een kleine aards gebouw en hij kwam maar één keer per jaar in de aanwezigheid van God. Het volk Israel zelf kon nooit in de meest heilige plaats binnengaan! Maar Christus de Hogepriester kwam en “woonde” in Zijn vlees onder de natie Israel – gedurende Zijn aardse bediening (zelf de werkelijke aanwezige God – zie Johannes 1:14; 14:9; Hebreeën 3:14; 10:5, 11). En nadat Hij zich zelf voor eens en voor altijd offerde – ging Hij zelf de hemelse tempel binnen  (Hebreeën 8:1-2; 9:1-10).

Met de offeranden van de “dag van verzoening”, was het beste wat elke Israëliet op kon hopen, dat hun onafgebroken onreinheid een jaar zou worden uitgesteld. De offeranden van de Hebreeuwse Hogepriester konden alleen tijdelijke verzoening brengen  – maar het offer van Christus bracht een werkelijke en permanente vergeving! De dood van Christus nam de zonde totaal en voor altijd weg! Halleluja!

Hier is hoe de apostel Paulus het samenvat….

 “Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God openlijk aangewezen als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn (offer en gesprenkeld) bloed. Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbij laten gaan van de zonden (uitgevoerd door de natie Israel) die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.” (Romeinen 3:23-25)

Het is ook een feit dat het permanente offer van Jezus de Messias een superieure toegang tot God bracht. Toen onze Here Jezus was gekruisigd en Zijn bloed was vergoten voor de zonden van de hele wereld, was het voorhangsel, die vroeger de mensen buiten de aanwezigheid van God hield, door God zelf in tweeën gescheurd! Dit laat aan de wereld zien dat elke gelovige van die tijd af vol en ongelimiteerde toegang heeft tot de aanwezigheid van God!….. Halleluja!

Dit is ook waarom de schrijver van Hebreeën de volgende woorden op schrift zet….

“Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben  om in te gaan in het heiligdom (van Gods aanwezigheid) door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn (offer) vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij tot Hem naderen (nu dat we toegang hebben) met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof (in Christus), nu ons hart gereinigd (door Zijn bloed gezuiverd) is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water”. (Hebreeën 10:19-22)

Nader tot God en Hij zal tot u naderen!