Datering boek Openbaring

Voor de uitleg van het boek Openbaring is de datering erg belangrijk. Met de juiste datering wordt de toekomstige historische waarde vastgesteld. Als je een vroege datering hebt, dan speelt de vervulling van Gods oordeel over Israël een zeer belangrijke rol in de interpretatie. Als je een late datering hebt, dan kan je alle kanten op. Dus datering van Openbaring is een zeer belangrijk onderdeel voor de juiste interpretatie van het boek.

Er zijn verschillende meningen over wanneer dit boek werd geschreven. Deze kunnen worden samengevat als de “late datum” en de “vroege datum” theorieën. Eerst zullen we kijken naar de late datum theorie. Daarna zullen we de feiten die de vroege datum theorie te ondersteunen onderzoeken.

De Late Datum Theorie

Degenen die vasthouden aan de “late datum,” gaan er vanuit dat het boek Openbaring geschreven is in de tijd van Domitianus Caesar (AD 95-96). Deze datum wordt bepaald door de volgende uitspraak van Irenaeus (140 AD tot 202 AD), zoals geciteerd door Eusebius, de kerkhistoricus, in 325: “Wij zullen ons echter niet blootstellen aan het risico om een definitieve uitspraak te doen over de naam van de Antichrist, want als het nodig was dat zijn naam duidelijk moet worden onthuld in deze huidige tijd, dan zou het aangekondigd zijn door hem die de openbaring ontving. Want het is nog niet erg lang geleden dat hij gezien is, bijna in onze tijd, aan het einde van Domitianus regering.”

Er zijn een paar dingen die hier opvallen. Ten eerste, de uitspraak is geciteerd door Eusebius en komt van Irenaeus. Deze Irenaeus was hier zelf geen getuige van. Hij verwees hierbij naar Polycarpus, die zou vermoedelijk Johannes hebben gekend. Er zijn hier dus drie mensen bij betrokken, van elkaar gescheiden door drie eeuwen. Simpel gezegd, van horen-zeggen. Ten tweede, het belangrijkste deel van het citaat – “het is nog niet erg lang geleden dat hij gezien is,” – is dubbelzinnig. Het kan zijn dat Openbaring niet gezien is, maar ook dat Johannes nog niet lang geleden gezien is. En dan is nog maar de vraag over welke Johannes het gaat.

Deze verklaring, inclusief al deze onzekerheden, is het enigste bewijs dat gebruikt word om de “late datum” theorie te ondersteunen. Het werd van generatie op generatie doorverteld, zonder dit echt te onderzoeken in het licht van het boek Openbaring zelf. De late datering is aan ons doorgegeven op dezelfde manier zoals het ook werd doorgegeven aan Eusebius, … door overlevering, door traditie dus … en traditie is niet de manier om de Schrift te interpreteren. En dan nu…..

De Vroege Datum Theorie

Waar kunnen we naar toe gaan om bewijs te vinden voor de datering van Openbaring? De interne gegevens die het boek zelf aandraagt! Door bewijsmateriaal uit het boek Openbaring zelf zullen we aantonen dat het boek werd geschreven vóór de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70.

1.       Johannes moet opnieuw profeteren

Het eerste punt ter overweging in het voordeel van de vroege datum is het feit dat Johannes in Openbaring 10:11 werd verteld dat hij “moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen”. Als openbaring in 95-96 NC geschreven zou zijn, zou Johannes ouder dan 90 jaar geweest moeten zijn en zou het voor hem erg moeilijk zijn geweest om te reizen naar de verschillende “naties en … vele koningen” om daar te prediken. Echter, met een Openbaring eerder geschreven, zou Johannes begin jaren ’60 geweest kunnen zijn en op die leeftijd zou hij beter hebben kunnen reizen. Bovendien zou Johannes hetzelfde martelaarschap ondergaan die Jezus ook had ondergaan (Marcus 10:39), en wel voor de wederkomst van Jezus (Johannes 21:22).

2.       De zeven kerken in Azië

Een ander punt is dat Johannes Openbaring schreef aan een specifieke groep van kerken in Azië (Openbaring 1:4). Het belang van deze verklaring kan niet over het hoofd worden gezien. Er is maar een korte periode geweest waarin er slechts zeven kerken in Azië waren. En dat was in de begin jaren 60 na Christus. De apostel Paulus had negen kerken in dat gebied gesticht, maar er worden slechts zeven in Openbaring genoemd. De reden hiervoor is dat de steden van Kolosse, Hiërapolis en Laodicea allemaal rond 61 na Christus werden vernietigd door een aardbeving. Laodicea werd kort daarna herbouwd, maar de andere twee steden niet. De enigste periode dat er maar zeven kerken in Azië waren, was tijdens de vijf jaar voor het begin van de Romeinse-Joodse oorlog.

Van bijzonder belang is de boodschap aan de kerk van Philadelphia (Openbaring 3:7-13). In vers 10 en 11, vertelde Christus aan Johannes om hun te informeren dat er “binnenkort een ure der verzoeking over de gehele wereld zou komen,” dat wil zeggen over het Romeinse Rijk. Christus vertelde hen dat Hij spoedig zou komen en dat ze moesten standhouden. De reden dat dit belangrijk is (naast het feit dat deze boodschap gericht is aan een daadwerkelijke kerk in de eerste eeuw) is dat de eerste vervolging van christenen vond plaats onder Nero Caesar in 64 na Christus. Daarom moet Openbaring geschreven zijn voor die tijd.

Kerkhistorici puzzelen nog steeds over de lange periode van stilte en inactiviteit van de ware christenen direct na het jaar 70 na Christus, geen geïnspireerde geschriften, geen brieven, geen prediking, geen schrijven tegen valse leraars etc. Bovendien, als Johannes toen geleefd zou hebben zou hij zeker geschreven hebben over de verwoesting van Jeruzalem die toen al plaats had gevonden. Ze omschrijven deze periode ook wel als de “donkere en onbekende periode”. De geschiedenis vertelt ons niet wat er gebeurde met de zeven gemeenten in Azië, maar de stilte en de afwezigheid van de ware christenen na 70 na Christus toont aan er iets belangrijks gebeurd moest zijn waardoor ze van de aardbodem waren verdwenen. Er was niet alleen een stilte – ze waren er gewoon niet meer. De brieven aan de zeven gemeenten geven hier veel duidelijkheid over. Christus waarschuwde hen over wat er zou gebeuren als ze zich niet bekeerden. Hun kandelaars  zouden worden weggenomen. Paulus toonde aan in zijn laatste brief die hij schreef net voor de vervolging door Nero, “dat allen in Azië zich van mij hebben afgekeerd” (2 Timoteüs 1:15). In plaats dat ze zich bekeerden en gered zouden worden voor de grote verdrukking, keerden ze zich af van Christus en zijn apostelen en gingen ze weer terug naar het Judaïsme en het heidendom. Er ging een generatie over heen voordat er weer christenen op het wereldtoneel verschenen.

3.       De tempel stond nog

Een van de meest overtuigende bewijzen dat Openbaring werd geschreven voordat Jeruzalem werd verwoest, is het feit dat de Joodse tempel er nog stond!

Openbaring 11:1-2, “En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk: en de engel stond en zeide: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar, en degenen die daarin aanbidden. Maar laat de voorhof die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet, want het is aan de heidenen gegeven: en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden lang”.

Hoe weten we dat dit de tempel was uit de eerste eeuw en niet een ergens in de toekomst? Ten eerste, er is geen enkel vers in heel de Bijbel die spreekt van een nieuw te bouwen Joodse Tempel, niet één. Dat alleen al zou voldoende bewijs zijn. Maar ook komt deze tekstpassage overeen met Lucas 21:20-24. Merk op dat Jezus tegen de discipelen zei, dat zij deze gebeurtenis zou zien. Zij hadden Hem gevraagd naar hun tempel (vers 5), en Jezus vertelde hen dat deze zou worden vernietigd voordat hun generatie voorbijgegaan zou zijn (vers 32). En kijk wat Jezus zei in vers 24, “en Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden.” En Dit is hetzelfde wat Jezus aan Johannes vertelde in Openbaring 11:2. Aangezien de generatie van de discipelen allang overleden is, moet Openbaring geschreven zijn voordat Jeruzalem in het jaar 70 NC door de heidenen onder de voet werd gelopen (vertrapt).

4.       De stammen van de aarde

De meeste Bijbelleraars beschouwen Openbaring 1:7 als het thema van het boek:

Ziet, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van de aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen..

Meeste christenen denken aan de 2de komst: fysieke verschijning op een wit paard (Openbaring 19:11), schiet door de lucht als een bliksem (Mattheüs 24:27) en elk oog zal dat zien. Maar klopt dat wel? Laten we daarom tekst met tekst vergelijken. Openbaring 1:7 verwijst naar Zacharia 12:10-11:

“Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig zoon, ja, zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn….”

Het “huis van David” verwijst naar de Joden onder het oude verbond. Dus de rouwklacht en bitter weeklagen in Jeruzalem kan alleen maar te maken hebben met de eerste eeuw verwoesting van Jeruzalem en de tempel. In Mattheüs 24:30 refereerde Jezus ook naar Zacharia 12:10-11:

en dan zullen alle geslachten der aarde wenen (weeklagen dus), en zij zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels met grote kracht en heerlijkheid”. Onmiddellijk na de referentie naar Zacharia’s profetie bevestigt Jezus de vervulling ervan in Mattheüs 24:34: “Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht (niet ras) zal geenszins voorbij gaan, voordat dit alles is geschied”.

Alle geslachten (of stammen) der aarde, daar  worden de stammen van het land Israël mee bedoelt. Het is overduidelijk dat Zacharia 12:10-11, aangehaald in Mattheüs 24:30 betrekking heeft op gebeurtenissen in de eerste eeuw na Christus. Dus wanneer we deze referentie weer zien opdagen in Openbaring 1:7, dan kan de timing van de vervulling van dit vers niet ter discussie staan: dit vers refereert naar gebeurtenissen in de eerste eeuw, wat ook duidelijk wordt bevestigd in de eerste drie verzen van Openbaring. Terug naar vers 7:

“Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem doorstoken hebben….”

Zoals gezegd, dit heeft te maken met Zacharia 12:10, maar dit verwijst ook naar Jezus staande voor de raad: “van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand van de macht en komende op de wolken des hemels.” (Mattheüs 26:63).

De hogepriester en consorten wisten heel goed wat Jezus bedoelde, dat Jezus zich identificeerde met Daniel 7:13 en zichzelf een Mensenzoon noemde. Zij kenden de oudtestamentische, metaforische, apocalyptische geschriften als geen ander. Het antwoord was dan ook godslastering in de ogen van de Joden want zij wisten, dat alleen God of de Zoon van God op de wolken kon komen. Maar Jezus bedoelde hier niet dat ze Hem in werkelijkheid zouden zien komen op de wolken, nee, Hij identificeert zich eenvoudig als “de Christus”, m.a.w. ze zouden dan onmiddellijk begrijpen dat Hij de Christus was. Jezus kwam in oordeel, op wolken, net als Zijn Vader ook vaak deed in het OT wanneer Hij zijn oordeel en wraak aankondigde tegen Israël en andere volken (zie bv Jesaja 19:1, Ezechiël 30:3-4). Jezus gebruikte “ogen” als een metafoor voor verstand, begrijpen, net als bijvoorbeeld “ziende zullen zij niet zien” en “maar uw ogen zijn zalig omdat zij zien” (Mattheüs 13:13-17). Het betreft dus een geestelijk zien, al of niet tijdens hun stervensproces: eindelijk zouden ze zien (begrijpen) dat Hij de Christus was, Jezus die dit allemaal had geprofeteerd in Mattheüs 23.

Dus het hoofddoel van Openbaring zou de “openbaring” van Jezus aan de natie Israël zijn en de plaats van openbaring zou Jeruzalem zijn. Tenslotte, deze openbaring zou voor zijn voor hen die Hem hebben doorstoken, de Joden. En niet de Joden ergens in de toekomst, maar de tijdgenoten van Jezus. Die generatie was vernietigd door de Romeinse legers 70 na Christus. Daarom moet het boek openbaring geschreven zijn voor die gebeurtenis.

5.       De vrouw

Het volgende waar we naar gaan kijken is “de vrouw” gevonden in de hoofdstukken 17 en 18 van Openbaring. Johannes schreef dat hij een “vrouw dronken van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus” zag (17:6). En “op haar voorhoofd was een naam geschreven: het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde” (17:05). De engel zei dat “de vrouw” een poëtisch symbool was van “de grote stad” (17:18), en “in haar werd gevonden het bloed der profeten en der heiligen, en van allen die geslacht zijn op de aarde” ( 18:24). Toen schreef Johannes “Wees vrolijk over haar, gij hemel en gij heiligen, en gij apostelen en profeten, want God heeft uw rechtszaak tegen haar berecht ….. Zo zal Babylon met geweld geworpen worden, de grote stad, en zal nooit meer gevonden worden.” ( 18:20,21). Dus wie was deze “vrouw” en deze “grote stad”?

John geeft ons een aanwijzing in Openbaring 11:8, waar hij schreef, “En hun lijk (zal liggen) op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun Here gekruisigd werd.” Net zoals we hierboven zagen verwees Johannes hier naar Jeruzalem uit die tijd. Om dit te bewijzen, laten we eens kijken naar de uitdrukking “Sodom”. Johannes geeft hier een symbolische beschrijving. Het is dus niet de werkelijke naam van de stad, maar het betreft een geestelijke toestand. Als we tekst met tekst vergelijken, dan zien we dat dit een verwijzing is naar Jeruzalem. Zie ook Jesaja, hoofdstuk 1, waar hij het volgende schreef over Jeruzalem, “Hoor de woorden van de Heer, gij oversten van Sodom” (vers 1).  Vanwege de overspelige profeten vergeleek God in Jeremia 23 Jeruzalem en haar inwoners met “ze zijn mij altezamen als Sodom geworden” (Jeremia 23:14).

Maar hoe zit het met “Egypte”? Nergens in de Bijbel wordt Jeruzalem Egypte genoemd. Echter, het Israël uit de eerste eeuw was in een “uittocht”. En net zoals het oudtestamentische Israël in een uittocht was uit de slavernij van Egypte, was het Nieuwe Testament Israël in een uittocht uit de slavernij van de oude verbondswet. De meest herkenbare tekstpassage die deze “nieuwe exodus” laat zien is in Korinthiërs 10:1-11. Paulus schreef: “Dit is hun (de Joden) overkomen tot een voorbeeld (voor ons), en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons (Paulus en de gelovigen), over wie het einde der eeuwen gekomen is”. Zijn contextuele basis voor deze uitspraak was de oude testament uittocht uit de Egyptische slavernij. Hij schreef dat ze door de zee gegaan waren (vers 1), ze manna aten en dronken uit de rots (vers 3-4), ze werden neergeveld in de woestijn (vers 5), afgodendienaars werden (vers 7), de Here verzochten en omkwamen door slangen (vers 9). Dit laat ons zien, dat net als de typebeelden van het Oude Testament en hun bevrijding uit de slavernij, de heiligen in het Nieuwe Testament dezelfde exodus zouden ondergaan. Het enige verschil was dat Paulus’ generatie de realiteit was waar het Oude Testament voorbeeld naar wees.

Bovendien zei Jezus in Lucas 13:33-34, “Doch Ik moet heden en morgen en de volgende dag reizen, want het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn,”. In het parallel gedeelte in Mattheüs 23:29-37 hield Jezus de Joden verantwoordelijk voor het doden van de profeten en de apostelen. Hij verklaarde dat zij de kinderen van hun vaders waren die ook de profeten hadden gedood. Vervolgens zei Jezus in vers 32, dat zij de zonden die hun vaders waren begonnen zouden voltooien. Maar het meest cruciale bewijs wordt gevonden in vers 35, waar Jezus zei: “opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde,” En daarna zei Hij, “Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn,” (vers 36-37). In beide tekstpassages zei Jezus tegen de Joden van Zijn tijd, dat ze schuldig waren aan “al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde” (zie ook Handelingen 7:51-52).

Sinds beide tekstpassages gaan over dezelfde misdaad en hetzelfde vonnis, moet de “grote stad” in Openbaring het Jeruzalem zijn van de generatie van Jezus. Wat ook weer bewijst dat Openbaring geschreven moet zijn vóór Jeruzalem verwoest werd in het jaar 70 na Christus.

6.       De zesde Koning

Tot nu toe hebben we gezien dat Openbaring gaat over de openbaring van Jezus aan het Israël van de eerste eeuw. Zoals hierboven opgemerkt, “de vrouw” die Johannes zag was Jeruzalem uit de eerste eeuw. De “koningen” waren de heersers van de toenmalige wereld in de dagen van  Johannes, ofwel het Romeinse Rijk. En wanneer we naar de interne bewijsvoering kijken, vinden we daar ook een duidelijk aanwijzing met betrekking tot de datering en wel in Openbaring 17:10, “Ook zijn het zeven koningen: vijf ervan zijn gevallen, een is er nog en de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt moet hij nog een korte tijd blijven”.

Deze testpassage, die spreekt van een lijn van heersers, vertelt ons precies hoeveel heersers er al geweest zijn, en waarvan er één op dat moment regeerde en dat de volgende maar een korte tijd zou regeren. Kijk maar eens hoe dit precies overeenkomt met Keizer Nero en het Romeinse Rijk in de eerste eeuw. De regeringsperiodes van de eerste zeven Romeinse Keizers zijn als volgt:

  • Vijf ervan zijn gevallen…” Julius Ceasar (49 – 44 VC), Augustus (27 VC – 14 NC), Tiberius (14 – 37 NC), Caligula ( 37 – 41 NC), en Claudius (41 – 54 NC)
  • een is er nog…” Nero (54 – 68 NC)
  • en de andere is nog niet gekomen,…” Galba (Juni 68 – Januari 69 NC, een 6 maanden regeringsperiode)

Hier vinden we de wrede onderdrukkers van de christenen (door wiens hand Petrus en Paulus werden gemarteld), en die door God gebruikt werden om de Joden te oordelen. Nero was aan de macht en hij gaf het bevel aan Vespasianus om Jeruzalem te vernietigen. Dit was de zesde koning, en hieruit blijkt zonder enige twijfel dat Openbaring vóór de Romeins/Joodse oorlog geschreven moet zijn. Historisch gezien, is Nero degene die een vervolging tegen de christenen opzette die zijn weerga niet had. Ook de verbanning van Johannes naar Patmos was het resultaat van de geweldige onderdrukking van Nero. De apostel Paulus werd gemarteld en vervolgens onthoofd door de bezeten keizer Nero in Rome in het jaar 67. De apostel Petrus, die ondersteboven werd gekruisigd, was een ander slachtoffer van Nero.

7.       Het lied van Mozes

Voor iedereen die vertrouwd is met de wet van Mozes en de Joodse traditie, zal Openbaring 15:2,3 bekend in de oren klinken. Het zegt dat deze martelaren “die de overwinning hadden van het Beest” het “lied van Mozes” Zongen.

De Joden moesten dit lied te zingen om zichzelf te herinneren aan wat hun zou overkomen “in de laatste dagen” (Deuteronomium 31:29). Het lied spreekt over “hun einde” – de Joden (vers 20), en de details van hun vernietiging door een verterend “vuur” (vers 22), “honger” (vers 24), “plaag” (vers 24) en “bitter verderf” (vers 24). God noemt hen een “verkeerd en vals geslacht” (vers 5 en 20), en zegt dat Hij “wraak zou nemen” op hen en dat Hij “zijn volk zou rechtvaardigen” (respectievelijk vers 41 en 36). Waarom zouden christelijke martelaren van de 21ste eeuw dit lied over de Romeinen zingen, als het lied moest verwijzen naar de Joden in de eerste eeuw?

Zijn dit niet dezelfde martelaren die al eerder riep, “Tot hoelang, o Heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen.” (Openbaring 6:10)? Aan wie werd al het “bloed van de rechtvaardige” martelaren  toegerekend? De Joodse generatie uit de eerste eeuw “opdat van dit geslacht afgeëist wordt bloed van al de profeten” (zie Mattheüs 23:35 en Lucas 11:50). Het waren de christenen die hun geloof in Jezus hadden vast gehouden, en die ondanks de intense vervolging, “de overwinning hadden van het Beest”! Deze tekstpassage (Openbaring 15:2,3) wijst heel duidelijk naar de volgelingen van Jezus die leefden in de eerste eeuw.

Openbaring 16:10,11, zegt dat de mensen in het koninkrijk van het Beest “kauwden met hun tong van pijn.” Ze had grote zweren op hun lichamen, samen met andere plagen die over hen waren uitgestort. We weten van Josephus dat de Joden letterlijk op hun tongen kauwden door gebrek aan voedsel tijdens het beleg in van Jeruzalem in 70 na Christus! En, het is interessant dat Josephus zelf het geweld van de Joodse Zeloten (de Joodse verzetsbeweging), op diverse plaatsen een “wild beest” noemt in zijn boek “De Joodse Oorlog”! Dit punt wordt nog meer benadrukt door het feit dat de gehele context van het Lied van Mozes vol verwijzingen zit naar “beesten”, “slangen” en “draken” (zie ook Leviticus 26; Deuteronomium 28-32; Deuteronomium 32:24,33).

8.       Het vijfde en zesde zegel

Het 5de zegel: “de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God”, het was Nero die in 64 NC officieel campagne startte om christenen uit te roeien, hij gaf hen de schuld van de brand in Rome. In zijn oorlog (samen met de Joden die heulden met de Romeinen) tegen de gemeente tot zijn dood in 68 NC, vonden in heel het Romeinse rijk miljoenen christenen de dood.

Openbaring 6:9-11 is hetzelfde motief als de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter Lucas 18:6-8, “Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch als de Zoon des mensen komt (op handen zijnde komst), zal Hij dan geloof vinden op aarde” (er waren nog maar weinig christenen over, velen gedood en velen teruggekeerd naar het Judaïsme).

Deze gelijkenis komt direct na Lucas 17 over de “dag van de Zoon des mensen”, waar Hij zijn discipelen vertelde over de gebeurtenissen vlak voor zijn spoedige komst.

Het 6de zegel: twee jaar na de oorlogsverklaring tegen de christenen, gaf hij de order om Jeruzalem te verwoesten (66 NC), na een opstand tegen van de Joden (Zeloten) tegen de Romeinen.

In Openbaring 6:12 wordt de uitdrukking zon, maan en sterren als metafoor gebruikt voor Israël, zoals ook zo vaak in het oude testament.

In het oude testament zijn vele voorbeelden waar de zon verduisterd, de maan in bloed verandert en de sterren naar beneden vallen, waar wegens ontrouw Israël een oordeel van God over hen wordt uitgesproken, en altijd door een ander volk uitgevoerd, in dit geval de Romeinen.

De vijgeboom geschud (vers 13), betekend zoveel dat een oordeel over Israël word uitgestort.

De hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold” (vers 14), dezelfde tekst (en motief) als Hebreeën 1:10-1, het oude verbond dat op het punt stond definitief te verdwijnen.

In Openbaring 6:16 haalt Jezus de zelfde tekst aan die Hij ook gesproken heeft tegen de dochters van Jeruzalem: “Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: valt op ons, en tot de heuvelen: bedek ons”. Dit is allemaal gebeurd tijdens het leven van de dochters van Jeruzalem en hun kinderen: “weent over uzelf en over uw kinderen, want zie er komen dagen….etc” (Lucas 23:30). Opnieuw een bewijs dat Openbaring geschreven moet zijn voor 70 na Christus.

9.       De factor tijd

Laten we vervolgens de verwachtingen van de auteur, Jezus Christus in overweging nemen. Hij vertelt Johannes dat de vervulling van de profetie binnenkort zou plaatsvinden (Openbaring 1:1,3; 2:16, 3:11; 22:6,7,10,12,20).

In Openbaring 1:1,3 informeert Johannes zijn lezers (de zeven gemeenten van Azië, vers 4), dat de inhoud van dit boek “weldra moet geschieden.” Let op, dat Johannes schreef niet dat sommige van de gebeurtenissen, of zelfs de meeste van de gebeurtenissen binnenkort moet plaatsvinden. Hij schreef dat alle gebeurtenissen die in Openbaring worden vermeld “weldra moesten geschieden.” Waarom? Waarom moeten die dingen “weldra”  gaan plaats vinden? “Omdat “de tijd nabij was”. Nabij voor wie? Specifiek voor de zeven gemeenten in Azië, en voor de gemeente in de eerste eeuw in het algemeen. Voor wat was tijd nabij? Voor de “De openbaring van Jezus Christus.” Vergeet niet, zoals we hierboven zagen, dit is het belangrijkste doel van Openbaring.

In Openbaring 22:6, schreef Johannes dat de Here een engel naar Johannes zond “om zijn knechten te tonen, de dingen hetgeen weldra geschieden moet”. ” Hier, aan het eind van het boek Openbaring, registreerde Johannes exact dezelfde boodschap zoals hij dat deed in hoofdstuk 1. Dit benadrukt nogmaals dat alle de gebeurtenissen die in Openbaring waren opgeschreven binnenkort zouden plaatsvinden in de eerste eeuw – niet uitgerekt door de tijd, en zeker niet voor een generatie ergens in de verre toekomst.

In Openbaring 22:10, zei de engel van de Here tegen Johannes, “Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij.” Eens te meer hebben we hier het bewijs dat de gebeurtenissen van de Openbaring binnenkort zouden plaatsvinden in de eerste eeuw. En er werd een ander element aan deze waarschuwing toegevoegd. De engel zei tegen Johannes het boek niet te verzegelen. Waarom is dit belangrijk? Om deze vraag te beantwoorden gaan we kijken naar het boek Daniël.

Nadat Daniël visioenen had ontvangen met betrekking tot zijn volk (Israël), kreeg hij het volgende te horen, “uw volk zal ontkomen, al wie in het boek geschreven wordt bevonden” (Daniël 12:1). Daniel wordt dan verteld hoe zij zouden worden gered – door de opstanding waar sommigen zouden worden beloond met “eeuwig leven”, maar anderen met “eeuwig afgrijzen” (vers 2). Maar dan verteld Daniel iets heel eigenaardigs. In vers 4 werd Daniël werd verteld, “houd de woorden verborgen, en verzegel het boek tot de tijd van het einde”. Let op dat dit vers zegt dat de “tijd van het einde”, en niet het “einde der tijden” (er is veel verschil tussen het “einde van de tijd” en de “tijd van het einde”). Nu moeten we ons afvragen, wiens “tijd van het einde?” Vers 1 vertelde ons dat de betrokken visioenen gaan over het volk van Daniël, het volk Israël dus, en niet de mensheid in het algemeen.

Vervolgens zag Daniël zag twee engelen praten over de vervulling van alles wat hij gezien had (vers 6). De ene engel vroeg de andere, “Hoe lang toeft het einde van deze wonderbare dingen?” Het antwoord was, “als er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigt zijn” (vers 7). Maar Daniël begreep niet wat ze bedoelden, dus vroeg hij weer, “wanneer dan”? De engel antwoordde: “Ga heen, Daniël, want deze woorden blijven verborgen en verzegeld tot de tijd van het einde”. Nu we hebben gekeken naar deze tekstpassage, en hoe verhoudt deze zich tot Openbaring 21?

Wist u dat er slechts één andere plaats in de Bijbel is waar een verzegeld boek wordt genoemd? Openbaring, hoofdstuk 5. Openbaring, is de “opening” van Daniel’s verzegeld boek is! Herinner je, dat de  visioenen van Daniël gaan over de “tijd van het einde”  van Israël, en Openbaring gaat over Gods oordeel over Israël. Ze zijn één en dezelfde. De reden dat dit een directe invloed heeft op Openbaring 21, is dat Daniël werd verteld om zijn boek te verzegelen met betrekking tot het einde, maar Johannes werd verteld zijn boek niet te verzegelen “want de tijd is nabij (Openbaring 22:10). Het einde van de Oude Verbond Israël was nabij gekomen. “want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat”, Alles wat geschreven is zou vervuld moeten zijn tegen de tijd dat Jeruzalem viel in het jaar 70 na Christus (zie Lucas 21:20-22). Daarom, omdat Openbaring de “opening” is van Daniëls’ profetie, dan moet het dus vervuld zijn in de zomer van 70 na Christus.

Onze volgende tijdsverklaring wordt gevonden in Openbaring 21:12. Daar zei Jezus tegen Johannes, “En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij, om een ieder te vergelden naar dat zijn werk is”. Merk op dat Jezus niet zei dat “als ik kom, dan kom ik spoedig” Hij zei nadrukkelijk dat Hij spoedig zou komen. Maar Hij zei ook nog iets anders. Hij zei dat Hij iedereen zou belonen naar zijn werken. Nu zijn er mensen die stellen dat dit nog niet is gebeurd. We moeten echter Schrift met Schrift vergelijken, en halen daarbij de volgende tekstpassages aan, Mattheüs 16:27-28, Marcus 8:38-9:1 en Lucas 9:26-27.

Jezus zei in deze drie verzen precies hetzelfde als Openbaring 21:12. In Openbaring 21, Hij zei dat “Hij zou komen en een ieder zal vergelden naar zijn werken.” In de drie genoemde tekstpassages zijn dit exact dezelfde “komsten” met exact dezelfde “beloningen”. Maar Jezus zei ook in deze drie verzen, “er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk”. Let op dat Jezus Zijn komst verbond met het leven van zijn discipelen. Hij zei dat sommige van zijn toehoorders niet zou sterven voordat Hij zou komen. Maar naar wie komt Hij? En wat zal hun loon zijn? Jezus zei dat Hij naar de eerste eeuw generatie van Israël zou komen (Mattheüs 24:34, Marcus 13:30, Lucas 21:32). Daniel vertelde ons dat sommigen zou worden beloond met “eeuwig leven” en sommigen met “eeuwig afgrijzen”. Laten we nu deze twee passages met elkaar vergelijken. Jezus zei dat Hij zou komen en hij iedereen zou belonen naar zijn werken, en dat een deel van de discipelen niet zou sterven voordat ze dit zouden zien gebeuren. En omdat alle discipelen dood zijn, moet Jezus al zijn teruggekeerd en iedereen hebben beloond naar zijn werken. Bovendien, in Openbaring zei Hij hetzelfde, dus daarom moet het allemaal al vervuld zijn!

10.   Conclusie

Van zowel externe en interne bewijsvoering van het boek Openbaring is de vroege datum theorie de enigste optie die goed harmonieert met de inhoud van het boek. Ofschoon de late datum theorie veelal geaccepteerd is door de meeste christenen (ook al rust deze theorie op één externe verklaring), het overweldigende bewijs in het boek Openbaring zelf wijst duidelijk naar een vroege datum van schrijven (ongeveer 62 na Christus), de tijd toen Johannes was verbannen naar het eiland Patmos gedurende de vervolging onder Keizer Nero.

De inscriptie in het boek Openbaring, in de Syrische versie, voor het eerst gepubliceerd door Deuteronomium Dieu in 1627, en daarna in de Londense Polyglot, luidt als volgt: “De openbaring die God gaf aan de heilige Johannes de evangelist op het eiland Patmos, waarheen hij werd verbannen door Nero Caesar.” Eén van de oudste versies van de het nieuwe testament vertelt ons precies wanneer het boek Openbaring was geschreven!

Dit plaatst het schrijven van het boek Openbaring definitief vóór het jaar 70 na Christus.